|
In de bron van een laser wordt een zeer geconcentreerde lichtstraal opgewekt. Door die lichtstraal te focussen in een heel klein brandpunt ontstaat er een zeer hoge energiedichtheid. Vandaar dat de laser een energiebron is die uitstekende eigenschappen heeft voor het lassen en snijden van o.a. metalen.
Het lasertype waarbij gas gebruikt wordt om de laserstraal op te wekken, is de CO2-laser.
Hierbij wordt gebruikgemaakt van een gasmengsel bestaande uit kooldioxide, stikstof en helium, het zogenaamde brongas. De twee grootste toepassingsgebieden voor de laser in de metaalindustrie zijn het lasersnijden en het laserlassen.
Lasersnijden
Het laser(brand)snijden is vergelijkbaar met het autogeen snijden, waarbij de autogene vlam vervangen is door de laserstraal, die een veel hogere energiewaarde heeft. Door de laserstraal wordt het te snijden materiaal plaatselijk op de ontstekingstemperatuur gebracht, waarna door de toevoeging van de snijzuurstof het materiaal in de snede wordt verbrand. Door de kinetische energie wordt de slak uit de snede geblazen.
Bij het lasersnijden van laag- en ongelegeerd staal wordt voornamelijk zuurstof gebruikt. Bij het lasersnijden van aluminium of roestvast staal wordt stikstof gebruikt. Zuurstof zorgt bij de laatste twee materialen voor een zeer harde, moeilijk verwijderbare oxidelaag. Om dit te voorkomen wordt bij voorkeur met stikstof gesneden.
Laserlassen
Bij het laserlassen komen twee methoden voor: de lasmethode waarbij met een beperkte inbranding wordt gewerkt en de zogenaamde ‘key hole’-methode, die zorgt voor een naad met een kleine breedte/diepte-verhouding. Voor de bescherming van de las tegen de negatieve werking van de omgevingslucht wordt gebruik gemaakt van een beschermgas. Hiervoor komen argon, helium, argon/helium-mengels en soms ook stikstof in aanmerking. Maar ook beschermgassen met actieve componenten als zuurstof en kooldioxide kunnen worden ingezet. |